International Flower Bulb Centre - Flower Bulb Power Education
  broeierij

Waterbroei

Een relatief nieuwe methode voor de broei van snijtulpen is de broei op water. Het broeien van bloembollen op water is op zichzelf echter niet nieuw. Al vanaf het midden van de 18e eeuw zijn er bollen op glazen vazen met water gebroeid voor gebruik in huis. In de zestiger jaren zijn al pogingen gedaan om tulpen commercieel op water te broeien en begin negentiger jaren opnieuw. Nadat een aantal teelttechnische problemen was opgelost, is vooral eind jaren negentig de broei van tulpen op water goed op gang gekomen. De waterbroei op bakken (trays) komt in grote lijnen overeen met het broeien van tulpen op bakken met grond. Inmiddels heeft deze milieuvriendelijke waterteelt zich ontwikkeld tot één van de belangrijkste methodes voor het broeien van snijtulpen. In Nederland wordt meer dan 60% van de tulpen al op water gebroeid. Deze ontwikkeling is vooral te danken aan de voordelen die bij deze methode een rol spelen. Een aantal voordelen bij elkaar betekent in veel situaties dat de broei op water goedkoper is.

Voor meer informatie: www.bulbsonline.org

Instant bloembollen

De jongere generatie consumenten wordt wereldwijd steeds gemakkelijker. Snel decoreren en tuinieren hoort bij dit gemak. Bloembollen in de droogverkoop voldoen niet aan deze wens, deze bollen representeren de uitgestelde belofte. De échte tuinliefhebber gaat nog wel op z´n knietjes, maar die "instant tuinier", met vele hobby´s en een druk leven, heeft liever meteen resultaat. De consument bepaalt steeds meer aan welke eisen een product moet voldoen. Daarbij is ­ als gevolg van de welvaarteconomie ­ de keuzevrijheid enorm: het assortiment is breed en het aanbod groot. Als ondernemer is het dan ook belangrijk om een keuze te maken. Welke strategie kies je: focus je op het product, op de markt of op je formule? Het gaat er in ieder geval om iets unieks aan het product toe te voegen, waardoor het meer waarde krijgt. Het is belangrijk om als kweker/exporteur te kijken naar wat de consument leuk, mooi en makkelijk vindt en open te staan voor vernieuwingen. Met deze achtergrond en de grote productie van bloembollen op pot is het Internationaal Bloembollen Centrum in 2002 begonnen met een instant doos met potten voor de gemakstuinier. Niet meer planten in het najaar (of voorjaar) en wachten op de uitgestelde belofte die zich schuilhoudt in de bol, maar direct resultaat op het terras/balkon of in de tuin. Het is de taak van de handel om de consument ervan te doordringen dat zij de afgebroeide kweekpot ook in de tuin kunnen planten of in een pot/container, en dat een bloeiend product het directe resultaat zal zijn. Voor de afzet van bloembollen zijn bollen op pot een uiterst belangrijke markt geworden. Tien jaar terug werden er twintig miljoen potten afgezet tegenover 80 miljoen nu. Met een gemiddelde van drie bollen per pot, is dit al gauw een afzetmarkt van ruim tweehonderd miljoen bollen. De voorjaarsbloeiers hebben hierin het grootste marktaandeel. Maar, niet alleen voorjaarsbloeiers doen het goed op een pot, ook een aantal zomerbolgewassen kunnen prima op een pot worden gekweekt. Voor meer informatie: www.bloembollencentrum.nl

Veredeling

Nieuwe rassen ontstaan soms spontaan tijdens de teelt. Een schoolvoorbeeld daarvan is de rode dubbelvroege tulp "Abba", die werd gevonden in een veld gele "Monte Carlo" tulpen. Dat verschijnsel noemt men in vakjargon "een mutatie", maar wordt ook sport of verloping genoemd. Het is een plotselinge verandering in de kleur; maar ook andere eigenschappen kunnen veranderen. De groeikracht bijvoorbeeld, of de gevoeligheid voor ziekten. Deze zijn niet of moeilijk zichtbaar en worden dan ook veelal niet opgemerkt, zeker niet omdat het vaak om slechts één enkele bol gaat. In cultuur komen heel wat cultivars voor die uit mutatie zijn ontstaan. Bij tulpen en dahlia´s komen ze merkwaardigerwijs meer voor dan bij hyacinten en narcissen.

Kruisen van rassen onderling

Sports ontstaan toevalligerwijs en daar kan men niet op wachten natuurlijk. Indien men nieuwe rassen wil ontwikkelen, moet men zijn toevlucht nemen tot kruisen van rassen onderling binnen dezelfde soort. Dat wordt zeer algemeen gedaan met name bij lelies, narcissen, dahlia´s en tulpen. Om daar wat inzicht in te krijgen, nemen we het voorbeeld van tulpen. Uiteraard is het (voorlopige) eindproduct zaad.

De tulp als voorbeeld

Het doel van kruisen is om rassen te krijgen die beter groeien (dus een hogere bolproductie geven), een andere kleur, vorm of steellengte hebben en die betere eigenschappen bezitten om de bollen vroeg en in een goede kwaliteit in bloei te kunnen brengen. Ook de houdbaarheid van de bolbloemen op de vaas speelt een rol. Tenslotte, en dat is in verband met het milieu ook heel belangrijk, probeert men rassen te winnen die beter bestand zijn tegen allerlei ziekten. Als dat lukt, dan zijn er minder gewasbeschermingsmiddelen nodig tijdens de teelt.

- Veredelingsplan

Veredelaars hebben een vooropgezet veredelingsplan waarin wordt vastgelegd welke specifieke (goede) eigenschappen van de vader- en moederplant in het nakomelingschap verenigd moeten worden. Dat lukt alleen als men het uitgangsmateriaal heel goed kent en dan nog zijn er factoren die men niet in de hand heeft en die het mooie plan kunnen doen mislukken. Men moet natuurlijk ook goed op de hoogte zijn van de genetica.

- Te volgen methode

De vader- en moederbollen worden in potten geplant. Van de vaderplanten wordt stuifmeel verzameld en zodra de stempel van de moederplant "rijp" is, wordt het stuifmeel daarop aangebracht. Door één en ander in kassen, dus onder glas, uit te voeren, wordt ongewenste kruisbestuiving voorkomen en kan de ideale kruisingstemperatuur van 17 á 20°C worden verwezenlijkt. Om een optimaal resultaat te krijgen, worden dezelfde kruisingen na drie dagen nog eens herhaald. Er kunnen natuurlijk eindeloos veel combinaties worden gemaakt, maar daarin moet men zich beperken. Immers elke zaaddoos (een driekleppige doosvrucht) bevat driehonderd zaden en die groeien, als het meezit, allemaal uit tot bollen. Als de kruising is geslaagd gaat de stempel zwellen. Half juli begint de zaaddoos te verkleuren en te rijpen. Het is zaak om de stengel met zaaddoos zo lang mogelijk op de moederbol te laten staan. De zaden worden in de periode half oktober-november gezaaid. De kieming verloopt het beste als de zaden enige tijd aan lage temperaturen zijn blootgesteld. In het vroege voorjaar zijn al kleine plantjes beschikbaar.

- Lange weg

De jonge plantjes en bolletjes worden in eerste instantie in kisten of potten gekweekt. Dat voorkomt dat er bolletjes verloren gaan. Als ze drie jaar oud zijn, komen ze buiten in de volle grond te staan. Het duurt gemiddeld vijf jaar voordat uit een zaadje een bol is gegroeid die een bloem produceert. Op dat moment kan men alleen nog maar de bloemkleur en dergelijke (dus de uiterlijke kenmerken) vaststellen. Van andere eigenschappen, dus de bloeikwaliteit en de resistentie tegen ziekten bijvoorbeeld, weet men nog niets. Die moeten allemaal nog worden onderzocht. Daarna volgt een moeilijk proces dat wel "de kunst van het weggooien" wordt genoemd. Slechts enkele planten, men zegt wel zo´n 2% van het totaal, halen de eindstreep en worden uiteindelijk op de markt gebracht. Bij de traditionele methode duurt het wel minstens twintig jaar (!) voor het zover is. Een kostbare geschiedenis dus. Tegenwoordig kan die periode aanzienlijk worden verkort door zogenaamde snelle vermeerderingsmethoden toe te passen. Hierbij kan een bol van een ras dat zich heeft gekwalificeerd heel snel worden vermeerderd.

Zuidelijk halfrondmethode

"Maf van bloembollen"

Het carriërepad van adviseur Piet Koopman illustreert zijn ondernemende aard, en tegelijkertijd zijn liefde voor bloembollen. Voor een deel kreeg hij die liefde van huis uit mee: zijn familie zat in de sector. Deels groeide zijn passie gaandeweg, naarmate hij zich meer in het wel en wee van de bloembol verdiepte. 21 jaar lang stond hij voor de klas. Daarna startte hij zijn eigen adviesbureau voor de sierteelt.

In de loop der jaren heeft Piet Koopman veel verschillende dingen gedaan in de bloembollensector. Zo woonde en werkte hij na zijn studie enige jaren in het buitenland en was hij twee jaar werkzaam bij de Plantenziektekundige Dienst, totdat hij het onderwijs ontdekte. "Er was behoefte aan goede leerkrachten voor de tuinbouw. Dus heb ik de benodigde aktes gehaald en ben ik voor de klas gaan staan. Dat was een leuke tijd, ik heb het 21 jaar gedaan". Na tien jaar fulltime onderwijs ging hij verder als zelfstandig ondernemer. "Ik deed al de nodige klussen voor onder andere het IBC, als schrijver en fotograaf. Daarom heb ik destijds Horti Service opgestart, een adviesbureau voor de sierteelt. Op een gegeven moment kreeg ik zoveel werk dat ik een keuze moest maken. Reizen, handelen en adviseren vond ik nóg leuker dan lesgeven."

Zuidelijk halfrond

Inspelend op de internationalisering van het bollenvak, kwam Piet altijd al veel op het zuidelijk halfrond. "Daar zaten ze met het probleem dat ze niks konden met het plantgoed uit Nederland, vanwege het tegengesteld seizoen. Triflor -een grote tulpenteler uit Noord-Holland- liep daar ook tegenaan en kwam er eens met mij over praten. Daar is uiteindelijk de Zuidelijk Halfrondmethode uitgerold. Klinkt misschien heel ingewikkeld, maar eigenlijk is het heel simpel. We manipuleren de bollen zo dat ze niet in het voorjaar, maar in oktober bloeien. Dat kun je bereiken door afgebroeide bollen te behandelen tot er een bloemknop in zit. Daardoor kun je de bollen eerder planten, en dus ook eerder broeien. Zo´n achttien jaar geleden zijn we daarmee begonnen, en inmiddels is dit dé methode."

Overal ter wereld waar bollen staan, zou je Piet zomaar kunnen tegenkomen. Hij omschrijft zichzelf dan ook als "zeer gedreven". "Ik ben maf van bloembollen. Vroeger was het nóg erger, toen ging ik echt alle keuringen en shows af. Wat me zo aanspreekt in het product? De kleur, de vorm, het internationale karakter van de sector." Aanvankelijk was hij vooral gefascineerd door de tulp. "Neem nou Orange Princess of Angelique. Als ik dat met veertig stelen tegelijk in een bak zie staan "dat is het gewoon." Ook de lelie kan hem nogal bekoren. "Ik kan enorm genieten van een paar lelies op de vaas. Verder vind ik het super om bij tuinders te komen die een prachtig product in de kas hebben staan."

Altijd bezig

Kortom: de bloembol heeft hem in zijn ban. "Ik werd vooral gepakt door het product tijdens al mijn reizen naar het buitenland. Dan kom je bij broeiers overal ter wereld, van Noorwegen en Portugal tot Zuid-Frankrijk of Zimbabwe, en zie je hoe daar gewerkt en gehandeld wordt. Bovendien ontmoet je gaandeweg allerlei interessante mensen. Geweldig vind ik dat. Ik vind het ook heerlijk om altijd bezig te zijn; die zes weken zomervakantie die ik in het onderwijs had, dat was eigenlijk niks voor mij. Daar ben ik veel te onrustig voor. Ik heb ook altijd het geluk gehad dat mensen het met mij zagen zitten en klussen toeschoven. Ja, en dan gaat dat balletje rollen. Ik hou gewoon ontzettend van het product, dat is het uiteindelijk wat mij drijft."


Snijbloementeelt

Bloembollenproductie in Nederland

De afgelopen 25 jaar zijn er veel dingen veranderd in de bloembollensector. Zo zijn kleine telers uitgegroeid tot grote spelers op de markt. In 2006 bedroeg het totale oppervlak aan bollenvelden 23.589 hectaren; in 1980 was dat nog maar 14.265 hectaren.

De top vijf ziet er als volgt uit:

  1. tulpen
  2. lelies
  3. narcissen
  4. hyacinten
  5. gladiolen

Daarnaast is er nog de omvangrijke categorie "overige", gevormd door een veelheid aan speciale bloembollen. De afgelopen 25 jaar is het totale oppervlak gestegen met maar liefst 8.730 hectaren. Daarbij neemt tulp nog altijd een belangrijk aandeel in. De teelt van gladiolen is echter afgenomen en uitgewaaierd naar andere landen, terwijl de lelieteelt de laatste vijftien jaar juist sterk is opgekomen. De lelie is inmiddels de op één na meest geteelde bloembol van Nederland. Vanaf 1980 is het aantal bloembollenbedrijven snel afgenomen, terwijl het gemiddelde oppervlak per bedrijf snel is gestegen.

Jaartal aantal telers
1980 4.916
2006 2.175

Jaartal omvang
1980 2,9 hectare per bedrijf
2006 > 10 hectare per bedrijf

De Nederlandse bloembollenproductie afgezet tegen de productie wereldwijd

Wereldwijd neemt Nederland momenteel 65% van de totale productie van bloembollen voor zijn rekening, en is dus nog altijd de marktleider in deze sector. Op het gebied van de tulpen- en leliebollenteelt dragen ook Frankrijk, Japan, de Verenigde Staten, Chili, Australië en Nieuw-Zeeland een flink deel bij aan de algehele productie. Frankrijk, Chili en Nieuw-Zeeland exporteren een groot deel van de door hun geproduceerde bloembollen weer naar Nederland, de VS, Japan en Canada, waar de tulpenbollen worden gebruikt voor de bloementeelt in de maanden oktober tot en met december. De (Oosterse) leliebollen worden gebruikt voor het plantseizoen van oktober tot en met januari.

Met uitzondering van Frankrijk en de VS liggen de opbrengsten en de productiekosten in deze landen min of meer op hetzelfde niveau als in Nederland. In Frankrijk en Australië zijn de opbrengsten van de tulpenbollen lager, en in Frankrijk zijn de productiekosten van lelies hoger. Klimatologisch heeft Nieuw-Zeeland, van de landen op het Zuidelijk Halfrond, de gunstigste omstandigheden: het is er relatief koel en stabiel. Kijkend naar de wijzigingen in het totale oppervlak van de bloembollenteelt in Nederland, Frankrijk, Chili, Australië en Nieuw-Zeeland, zien wij dat het oppervlak dat gereserveerd is voor tulpenbollenteelt in Nederland en Frankrijk relatief stabiel is, terwijl het oppervlak in Nieuw-Zeeland, Chili en Australië licht stijgt. In de lelieteelt wordt in Nederland en Frankrijk een stabilisering van het oppervlak verwacht. Ook de bloembollenteelt op het zuidelijk halfrond blijft naar verwachting redelijk stabiel, alleen Chili breidt uit!. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de bloembollenteelt vanuit een mondiaal gezichtspunt, en in het bijzonder de teelt van tulpen- en leliebollen.

Het grootste productiegebied van tulpenbollen bevindt zich in Nederland en vormt 86% van het gehele productiegebied wereldwijd. Verder worden er in veertien overige landen tulpenbollen gekweekt, waarvan Japan, Frankrijk en de USA de belangrijkste zijn. Veel van deze landen gebruiken hun bollen voor de eigen bloemteelt en/of de droogverkoop; dit is de verkoop van bloembollen via de detailhandel aan consumenten voor gebruik in de tuin. Uitzonderingen hierop zijn Nederland, Frankrijk, Nieuw-Zeeland, Australië, Chili en Zuid-Afrika. Nederland produceert op dit moment bijvoorbeeld 4,3 miljard tulpenbollen, waarvan 2,5 miljard (58%) wordt gebruikt voor de productie van snijbloemen voor zowel Nederland als het buitenland. Het restant is voor de droogverkoop. Van de bloembollen die worden gebruikt voor de teelt van snijbloemen, blijft 1,5 miljard (60%) in Nederland. De resterende 40% wordt geëxporteerd naar landen binnen de EU (0,57 miljard) en buiten de EU (0,41 miljard). Helaas zijn er geen cijfers beschikbaar van de verkoop binnen de EU.

In 2006 nam de bloembollenproductie 50% van de totale oppervlakte van de sierplantenteelt in de open lucht voor haar rekening. Een groot deel van de bloembollen blijft in Nederland en maakt deel uit van de bloemen- en potplantenproductie in kassen. De exportwaarde van de Nederlandse bloembollen is de laatste 25 jaar verdubbeld, terwijl de totale waarde van de sierplantenteelt zelfs is vervijfvoudigd. Bloemen en bloembollen op pot vormen een belangrijk deel van de exportwaarde van snijbloemen en potplanten, aangezien een groot deel daarvan reeds wordt geteeld tot bloem of potplant voordat ze het land verlaten.

De afgelopen 25 jaar zijn er de nodige verschuivingen geweest in de top 10. Er waren nieuwkomers zoals Japan en China en tevens oudgedienden zoals Duitsland en Frankrijk, die nog altijd een goede afzetmarkt voor bloembollen kennen. Daarnaast hebben de nieuwe transportmogelijkheden de exportmarkt de afgelopen 25 jaar een flinke impuls gegeven.

De verkoop van tulpen- en leliebollen en hun aandeel in de verkoop van bolbloemen

De in Frankrijk geteelde tulpenbollen worden deels verkocht op de binnenlandse markt en deels geëxporteerd om zeer vroeg te worden geplant in Nederland (november-december). Dit is om, afhankelijk van hun geografische locatie, drie á vijf weken eerder stadium G van de groei te bereiken. De bollenteelt in Frankrijk wordt grotendeels uitgevoerd onder contract van Nederlanders, en de productie hiervan betreft met name de teelt van broeitulpen en de teelt van Scheepers Sports (een groep late, enkele tulpen die door bloemtelers in het zuiden van Frankrijk wordt gebruikt voor de productie van de zogenaamde "Franse tulp"). Het plantgoed hiervoor is afkomstig uit Nederland. De opbrengsten liggen 10% á 25% lager dan in Nederland, terwijl de productiekosten min of meer gelijk zijn.

Ook de bloembollen die op het zuidelijk halfrond worden geproduceerd, staan veelal onder supervisie van Nederlanders. Deze worden via Nederlandse exportbedrijven aangeboden voor de vroegste broeierij op de consumentenmarkten van de VS, Canada, Polen, Nederland en Japan. De productie van de zuidelijke landen (Nieuw-Zeeland, Australië en Chili) is de laatste paar jaar enorm toegenomen en dit betreft merendeels de teelt van de late broeisoorten (Adrem - Prinses Irene - Rococo - White Dream ­ Barcelona ). Het plantmateriaal wordt nog altijd verkregen door de import van afbehandeld plantgoed uit Nederland. De productiekosten zijn vergelijkbaar met die in Nederland, evenals de opbrengsten. Australië vormt een uitzondering; hier zijn de opbrengsten 10% tot 15% lager vanwege het warmere klimaat.

Nederland is ook het grootste bloembollenproductiegebied voor lelies, met 72% van de gehele mondiale productie. Verder zijn er nog negen landen, aangevoerd door Frankrijk, Chili, China, Japan, Zuid Afrika, de USA en Nieuw-Zeeland, die lelies telen voor de productie. De helft van de tien bloembollenproducerende landen gebruiken de bollen voor hun eigen snijbloemteelt. Slechts een klein deel is voor de droogverkoop. Landen zoals Nederland, Frankrijk, Chili, Nieuw-Zeeland en Australië gebruiken de bloembollen om hun eigen binnenlandse markt en de exportmarkt te bedienen. Nederland produceert momenteel 1,72 miljard leliebollen, waarvan 1,64 miljard (96%) dient als basismateriaal voor de teelt van snijbloemen in Nederland en het buitenland. Nederland gebruikt 0,42 miljard (24%) daarvan voor zijn eigen snijbloemproductie. Het restant wordt geëxporteerd naar landen binnen de EU (0,51 miljard) en buiten de EU (0,79 miljard).

In Frankrijk is een groot deel van de leliebollenproductie in Nederlandse handen en de Oriëntal-hybriden worden in Nederland gebruikt voor de plantperiode vanaf eind mei tot eind september. Door het warmere klimaat hebben deze lelies een sterke steel en aanzienlijk meer bloemknoppen per steel. Vanwege het warmere klimaat in de groeiperiode van de bloembollen, lenen deze bollen zich eveneens beter voor opslag in afwachting van de vereiste plantperiode dan Nederlandse bollen. Mits ze vroeg worden gerooid, kunnen de Franse Longiflorum-hybriden worden geplant vanaf oktober. De overige, niet vroeg gerooide bollen, kunnen worden geplant vanaf half december. De Longiflorums zijn van uitstekende kwaliteit en kunnen aanzienlijk langer worden opgeslagen dan Nederlands geteelde bollen. De opbrengsten in Frankrijk zijn gelijk of liggen zelfs hoger, al ligt de kostprijs vanwege de extra transportkosten wel iets hoger dan die in Nederland.

In Nederland en Frankrijk zal de lelieteelt zich naar verwachting stabiliseren. Van de Aziatische lelies wordt echter verwacht dat deze enigszins aan terrein zullen verliezen ten gunste van de LA-hybriden. De productie ten zuiden van de evenaar blijft naar verwachting wel stabiel. Relatief gezien is er feitelijk maar weinig export van bolbloemen wereldwijd. Op de meeste markten worden de bolbloemen plaatselijk geproduceerd. De uitzonderingen hierop zijn Nederland, Costa Rica en Korea. Vanuit Nederland worden allerlei soorten bolbloemen, maar met name tulpen en lelies, geëxporteerd naar de hele wereld. De grootste afzetmarkten zijn Duitsland, Groot-Brittannië en Frankrijk, en buiten de EU de USA. Costa Rica exporteert voor ongeveer € 6,7 miljoen aan leliebloemen naar de USA. Totale productie Costa Rica is 50 000 000 stelen. Daarnaast worden naar deze markt ook lelies geëxporteerd door landen als Brazilië (€ 1 miljoen) en Ecuador (€ 0,9 miljoen). Naar verwachting zal de export van lelies vanuit Chili aanzienlijk groeien zodra de voorgestelde vrijhandelsovereenkomst met de USA is ondertekend. Behalve de eigen productie van 286 miljoen leliestelen, importeert Japan ook nog eens 4,2 miljoen leliestelen uit Korea, 1,1 miljoen leliestelen uit Nederland en 0,7 miljoen leliestelen uit Nieuw-Zeeland.

De wereldmarkt voor snijbloemen

De internationale handel in snijbloemen concentreert zich op drie belangrijke consumentenmarkten, namelijk de Verenigde Staten, de EU en Japan. De EU is de grootste markt; Japan en de VS volgen op respectievelijk de tweede en de derde plaats. Alhoewel de VS de op twee na grootste producent van snijbloemen ter wereld zijn, met een groothandelwaarde van € 933 miljoen, wordt om aan de behoefte aan snijbloemen te kunnen voldoen, het grootste deel toch geÏmporteerd (€ 537 miljoen ofwel 56%). Daarnaast exporteren de VS snijbloemen, in totaal voor een bedrag van € 38 miljoen, voornamelijk naar Canada. De onderstaande tabel toont de landen en hun respectievelijke aandeel in de import van snijbloemen door de VS. Dit zijn met name landen met een gunstig teeltklimaat en lage arbeidskosten. Een uitzondering hierop vormt Nederland, dat zich sterk manifesteert op de specialiteitenmarkt. Veruit de belangrijkste consumentenmarkt voor snijbloemen wordt gevormd door de EU. Al telt de Europese Unie momenteel 25 landen, wij zullen ons hierbij beperken tot de oorspronkelijke vijftien landen. De plaatselijke snijbloemproductie in deze landen bedroeg in totaal € 6.320 miljoen, gemeten naar groothandelprijzen. Verder importeert de EU snijbloemen voor een totale waarde van € 635 miljoen (10%), waarbij de belangrijkste importerende landen Nederland, Groot-Brittannië en Duitsland zijn. De EU exporteert daarnaast snijbloemen voor in totaal € 458 miljoen, waarbij de grootste afzetmarkten de VS, Zwitserland en Rusland zijn.

Deze tabel geeft duidelijk blijk van de dominante rol van Afrika, en dan met name Kenia, in de export van snijbloemen naar de EU. Ook hier gaat het om landen met een gunstig teeltklimaat en lage lonen. Israël vormt een uitzondering omdat dat land, net als Nederland, sterk is in zijn specialiteiten. Ook binnen de EU is een flinke uitwisseling van snijbloemen, in totaal ter waarde van € 2.263 miljoen. Deze handel vindt voornamelijk plaats tussen de volgende landen:

  • Nederland (€ 2.061 miljoen), met als belangrijkste importerende landen Duitsland, Groot-Brittannië, Frankrijk en Italië
  • Spanje (€ 67 miljoen), met als importerende landen Groot-Brittannië en Nederland;
  • Italië (€ 38 miljoen), met als importerende landen Duitsland, Nederland en Frankrijk;
  • België (€ 34 miljoen), met als importerende landen Frankrijk, Nederland en Groot-Brittannië.

Met een percentage van 91% speelt Nederland binnen de EU duidelijk een zeer dominante rol in de internationale handel in snijbloemen. De Japanse import van snijbloemen vertegenwoordigt 6% van het totale gebruik en heeft een waarde van ongeveer € 223 miljoen. De binnenlandse snijbloemenproductie heeft een waarde van € 3.577 miljoen. Japan exporteert voor slechts € 0,5 miljoen aan snijbloemen. Oorzaken voor de vrij lage importwaarde zijn de hoge Japanse kwaliteitseisen, de hoge transportkosten, de quarantaineverplichtingen en het verkoopsysteem op basis van commissie.

Ga naar www.bulbsonline.org voor meer informatie.

Naar boven

  Copyright © 2007 Internationaal Bloembollen Centrum
sitemap